ORGEL

Het orgel in onze kerk dateert uit
1766 en is met die van Hattem en Nijkerk te rekenen
tot de oudste van de Veluwe. Oorspronkelijk heeft het gestaan
in de kerk van de Rooms Katholieke parochie van de Heilige Martinus,
achter de Twijn (thans Oude Gracht) in Utrecht. Door een uitbreiding
van deze kerk in 1851 zag het parochiebestuur
zich genoodzaakt te besluiten tot aanschaf van een groter orgel.
Uit gegevens van de archiefdienst van Utrecht blijkt daarover
het volgende: "daar het oude orgel om vele redenen
niet wel behouden kon worden, zo was het nodig hetzelve door een
nieuwe en waar-der te doen vervangen, en is dit werk op den 7
augustus 1851 bij contract van aanneming aan den orgelmaker Maarschalkerweerd
alhier voor de som van fl2.500, = met bezit van het oude orgel
opgedragen". Op 17 februari 1852
kocht de Hervormde gemeente van Oene het ingeleverde orgel voor
een bedrag van / 1000,= van de Utrechtse orgelmaker, die ook zorg
droeg voor de overplaatsing naar Oene.
Dit moet omstreeks juli 1852 hebben plaatsgevonden.
Bij de restauratie van het orgel in 1967 ontdekte
men namelijk in de grootste frontpijp de volgende inscriptie:
"De eerste pijp werd gesteld door J.L. Dalhuisen
op 25 juli 1852, geboren te Oene op 27 augustus 1818".
Tijdens de voormiddagkerkdienst van 22 augustus 1852
vond de ingebruikname van het orgel plaats. De toenmalige predikant,
Ds. J.F. van Dura, mediteerde bij die gelegenheid over Psalm 89
vers 2a: "Ik zal de goedertierenheid des Heeren
eeuwiglijk zingen". De heer J. Dozij, organist
van de grote kerk in Elburg, bespeelde tijdens deze dienst het
orgel.
Blijkens gegevens uit het kerkelijk
archief is in juli 1858 bij een hevig onweer
de bliksem in de toren geslagen, waardoor tevens aanzienlijke
schade aan het orgel werd toegebracht. Door de firma Bernhard
Koch te Apeldoorn werd in 1954 een aantal veranderingen
aan het orgel aangebracht. Deze waren echter weinig zinvol en
sorteerden weinig effect. Wel werd een restauratie steeds meer
noodzakelijk, want tal van pijpen waren beschadigd en enkele stemmen
functioneerden slecht of nauwelijks meer.
Tot ongeveer 1962 was het mogelijk om naast de
elektrische windvoorziening ook gebruik te maken van de orgeltrapper.
Toen een enkele maal de stroom uitviel werd van deze mogelijkheid
dan ook dankbaar gebruik gemaakt. Bij de restauratie van het torenportaal
is de trapvoorziening echter helemaal verdwenen.
In overleg met de orgeldeskundigen van monumentenzorg, waaronder
Dr. M. Vente, werden in het begin van de zestiger jaren plannen
opgesteld voor een algehele restauratie, welke in 1967
werd uitgevoerd door Ernst Leeflang te Apeldoorn. Bij deze restauratie
ging het erom het orgel weer zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijke
staat terug te brengen. Hiertoe was het onder andere nodig het
gehavende front te herstellen, beschadigde pijpen te herstellen,
nieuw ivoor op de toetsen aan te brengen en de in 1954
aangebrachte veranderingen weer ongedaan te maken. Verder
was het noodzakelijk het gehele binnenwerk van het orgel te demonteren
en ieder onderdeel nauwkeurig te onderzoeken en zonodig te ver-vangen.
De totale restauratiekosten bedroegen bijna / 45.000,-. In dit
bedrag werd mede bijgedragen door Rijk, Provincie en burgerlijke
gemeente. In een speciale kerkdienst op vrijdag 1 September 1967
waarin Psalm 150 in woord en lied centraal stond,
werd het gerestaureerde orgel weer in gebruik ge-nomen. Voorganger
in deze dienst was de plaatselijke predikant Ds. J.T. Doornenbal.
De bekende doelenorganist Arie J. Keijzer bracht een aantal improvisaties
ten gehore, terwijl de samenzang begeleid werd door de organisten
L. Dalhuisen en J. Nap.
Hoewel onze kerk een monumentaal orgel heeft,
gebiedt de eerlijkheid wel te zeggen dat er helaas wel een paar
nadelen aan kleven. Het orgel is wat aan de kleine kant, zowel
wat betreft het aantal registers als klavieromvang. Ook is het
voetpedaal niet optimaal. Het heeft een afwijkende ligging, is
beperkt van omvang en heeft geen zelfstandige registers, waardoor
de "ondergrond" in de klank ontbreekt. Door de hiervoor
genoemde nadelen is het orgel helaas ongeschikt voor het spelen
van de meeste bladmuziek, dus ook voor het geven van orgelconcerten
en moet de bespeler over een behoorlijk improvisatietalent beschikken.
De dispositie
van het mechanische orgel is:
Klavier (C-d 3):
Prestant 8'
Cornet (diskant)
Roerfluit 8'
Gemshoorn 4'
Octaaf 4'
Quint 3'
Octaaf 2'
Mixtuur
Trompet 8' (has en diskant)
Ventiel
Pedaal (c-f) (aangehangen)